Jeugdsymboliek rond de Nicolaaskerk

Geplaatst door Administrator (admin) op Dec 13 2011
brieven >>

 Ons nieuwe onderkomen lag tegenover het toen zogeheten Petroleumgat onder Manenborch, van waaruit de petroleumventers “de olie over de stad verspreiden”. Later is deze prachtige ruimte het atelier geworden van de bekende beeldend kunstenaar Pieter d’Hont.

Mijn vader heeft er gewoond tot aan zijn 91e levensjaar. Hij was hulpkoster van de Klaaskerk en tevens collectant. De indeling van de kerk was toen totaal anders dan nu het geval is. De preekstoel stond vlak voor het koor en was voorzien van een rood en een groen lampje. De plaatsen werden toen nog verhuurd. Zodra het groene lampje aanging, mochten alle plaatsen worden bezet. Was je niet op tijd dan had je pech gehad en kon je je niet beroepen op de huurovereenkomst.

De kerkdiensten duurden soms wel erg lang, vooral voor zo’n jochie als ik toen was. Ik herinner mij een dominee welke verlamd was en een half uur voor de aanvang van de dienst, met moeite, gezeten op een stoel, op de preekstoel werd omhoog getild. Halverwege de preek laste hij een pauze in door enkele liederen te laten zingen en ging daarna rustig verder preken.
Om de tijd te doden had ik enkele boekjes meegenomen van Dik Bos; streng verboden jeugdliteratuur, maar o zo spannend.
Nog spannender was het collecteren. De diakenen en de koster, gekleed in streng zwart en grijze handschoenen aan, probeerden omzichtig de lange hengelzakken langs de gemeenteleden te manoeuvreren, waarbij er wel eens een lampje sneuvelde van één van de kroonluchters. Naarmate de collecte vorderde, bogen deze, door het gewicht van het muntgeld, gevaarlijk door, maar tot mijn spijt, brak er nooit één doormidden.

In tegenstelling tot nu, werd de kerk verwarmd door middel van drie grote kachels. Ver van tevoren was koster Eggink (wat een sympathieke man) al druk bezig het vuur aan te wakkeren en konden de kerkgangers, staande om de schermen heen, zichzelf alvast voorverwarmen. Bij strenge koude werden de testjes gevuld met gloeiende cokes en in de stoven geplaatst voor de wat oudere gemeenteleden. Het interieur van de kerk kreeg door de opstijgende blauwe damp, iets mystieks. Er werd tevens flink gehoest.

Na de kerkdienst moest ik naar de Zondagsschool Jedidja. Even gauw het opgegeven versje leren en dan ging je weer naar de kerk.

De kerstvieringen waren prachtig. Na afloop van het kerstverhaal, waarin alles op wonderlijke wijze weer goed kwam, kreeg je een zakje versnaperingen, een sinaasappel en een, natuurlijk, stichtelijk boekje.
Eén juf ben ik nooit vergeten. Zij was zo lief en kon prachtig vertellen. Later heb ik haar bezocht in Huize Transwijk. Het was een goed weerzien. Na haar dood, kreeg ik tot mijn verrassing, een klein pakje aangereikt, speciaal voor mij bestemd. Daarin zat een klein bijbeltje en schriften met een persoonlijke aantekening. Ontroerend toch!?

De Tweede Wereldoorlog brak uit. De soldaten, gelegerd in de Klaaskazerne werden naar de Grebbelinie verplaatst in afwachting van het contact met de vijand. Wij hebben hen uitgezwaaid. De meesten waren op de fiets of te paard. Zij kwamen met veel minder terug. Verslagen en gedesillusioneerd.
Mijn ouders en vele buren in de straat hebben de jonge soldaten in huis en in de straat opgevangen. Ik hoorde hen vloeken en bidden. Eén van hen gaf zijn geweer en riep “schiet me maar kapot”. Het was die dag zo mooi weer!
Kort daarna waren de soldaten in een mum van tijd verdwenen, en werd de kazerne en de tuin van de kerk het domein van de vijand. Alle straten en de parken rondom de Klaaskerk stonden, binnen één dag, vol met tanks en andere legervoertuigen.
Ik had het geluk dat de keukenwagen vlak bij ons huis stond. Tijdens mijn veelvuldige aanwezigheid aldaar, verdween er wel eens wat in mijn broekzak. Ik had niet het gevoel dat ik stal, maar de kok wel. Dat resulteerde in een schop onder mijn achterwerk en verder een “Zutritt Verbot”.

De stroomvoorziening viel langzaam maar zeker uit. Ook het orgel in de kerk, elektrisch aangedreven, viel stil. Daardoor werd aan de zoon van de koster, waar ik bevriend mee was, en aan mij, een zware taak toegewezen, n.l. de blaasbalg al trappend in beweging te brengen, waardoor het orgel weer geluid produceerde. Tijdens de vooroefening op zaterdagmiddag kregen wij van de organist een kwartje voor de moeite. Soms pompten wij niet hard genoeg, ook wel eens expres, en dan brak de organist uit in oprechte toorn.

Tijdens een kerkdienst is één van de organisten getroffen door een acute hartaanval. Het lange aanhouden van enkele tonen was voor de koster aanleiding om naar boven te rennen. Daar ontdekte hij de reeds overleden organist gebogen over het klavier. Iemand anders heeft de orgelbespeling toen overgenomen. Alle aanwezigen, waaronder ikzelf, waren hier zeer van onder de indruk.
Het orgel werd in de oorlog ook wel gebruikt als ‘onderduikinstrument’. De koster en mijn vader hebben, naar mij is verteld, daar diverse keren dankbaar gebruik van gemaakt, door in de orgelkast zich te verbergen tijdens de razzia’s.
Het onderhoud van de kerk liet, uiteraard wegens geldgebrek, te wensen over.
Het was op een stormachtige zondagmorgen; tijdens de preek, ontstond in één van de gewelven een lekkage. Een stevige straal water plensde naar omlaag. Vele handen sleepten teilen en emmers aan. Als door een wonder stopte de lekkage plotseling en kon de dienst worden voortgezet. Soms kijk ik, met slecht weer, naar omhoog en krijg ik ondeugende gedachten, maar... helaas.

Na de oorlog, omstreeks 1948, werd het toenmalige wijkgebouw van de Nicolaïkerk, gelegen aan de Nieuwegracht nr. 87 te klein en is er uitgekeken naar ruimere behuizing. Het oog viel op het pand Nieuwegracht nr. 94, maar hoe moest dat gefinancierd wrden? Geen nood! Er werd, met hulp van buitenaf, een loterij georganiseerd, met als hoofdprijs, ja u leest dit goed!, een nog te bouwen woonhuis!
Met een platte bakfiets, voorzien van een groot beschilderd bord, heb ik de stad diverse malen doorkruist en werden de loten aan de man/vrouw gebracht. Het werd een succes. Kort daarop is het nieuwe wijkgebouw aangekocht en in gebruik genomen. Er zijn in de bijbehorende tuin o.a. bazaars gehouden ten bate van het wijkwerk.

Het bovenstaande zijn flarden herinneringen aan mijn jeugdjaren. De predikanten uit deze jaren zag ik aan als “direct door God gezondenen”, waarbij je niet te dicht in hun nabijheid mocht komen. Zo voelde ik dat toen, maar wat wist je? Je bent een jochie, in een autoritaire wereld opgegroeid, in een kwetsbare periode van je jonge leven.
Temidden van soldaten, vriend en vijand en autoriteiten o.a. van Kerk en Staat.
Je hebt honger gehad en kou geleden. Je buurjongen uit huis zien halen. Uitbesteed geweest om de hongerwinter van 1944 te overleven. Heimwee naar thuis. Angst dat je vader wordt weggevoerd, kortom, een jeugd vol herinneringen, aan een tijd die ik niet graag had willen missen ondanks alle indrukken.

In die tijd heb ik, met een zoon van de koster, ter gelegenheid van de bevrijding, op de Klaaskerk de vlag uitgehangen. De “Sint Nicolaaskerk”, de “Klaaskerk”, de “Nicolaïkerk”, hoe je het ook noemen wilt, is voor mij het symbool van mijn jeugdjaren. Ik kom zo af en toe nog in de Nicolaïkerk. Tijdens de dienst voel ik mij dan nog vaak het jochie van toen, en ben ik thuis.
Ad. van Dam
Uniceflaan 100
3527 WT Utrecht
030-2930602

Terug